IBM hanteert meerdere licentiemodellen voor zijn softwareportfolio, waarvan het Processor Value Unit (PVU)-model, de IPLA-licentie en de ILAN-licentie de meest voorkomende zijn. Elk model heeft eigen rekenregels, toepassingsgebieden en compliance-vereisten. Voor organisaties die IBM-software afnemen, is het essentieel om te begrijpen welk model van toepassing is, omdat de kostengevolgen per model sterk kunnen verschillen. Dit artikel beantwoordt de meest gestelde vragen over IBM-licenties, van de basisprincipes tot de strategische overwegingen bij heronderhandeling.
Welke licentiemodellen hanteert IBM voor zijn software?
IBM hanteert meerdere licentiemodellen, waarvan de drie meest voorkomende zijn: het Processor Value Unit (PVU)-model, de International Program License Agreement (IPLA) en de IBM License Agreement for Non-Production Use (ILAN). Daarnaast bestaan er modellen op basis van gebruikersaantallen, Resource Value Units (RVU) en maandelijkse cloudabonnementen via IBM Cloud.
De keuze voor een specifiek model hangt af van het type software, het gebruik binnen de organisatie en de onderliggende infrastructuur. Producten uit het Middleware-segment, zoals WebSphere of Db2, vallen doorgaans onder PVU-licenties. Ontwikkel- en testomgevingen worden vaak gedekt door ILAN-licenties, terwijl productieomgevingen standaard onder IPLA vallen. Het is belangrijk om te weten dat IBM regelmatig zijn licentievoorwaarden aanpast, waardoor organisaties die hun contracten niet actief monitoren risico lopen op onverwachte kosten of compliance-problemen.
Hoe werkt het Processor Value Unit (PVU) model?
Het PVU-model berekent licentiekosten op basis van het aantal en het type processorcores waarop de software draait. IBM kent aan elk processortype een specifieke PVU-waarde toe via de officiële PVU-tabel. Hoe meer rekenkracht een processor heeft, hoe hoger de PVU-waarde en dus hoe hoger de licentiekosten.
Concreet werkt het als volgt: IBM publiceert een tabel waarin elk processormodel een PVU-waarde krijgt toegewezen, variërend van 70 tot 120 PVU per core afhankelijk van het merk en de architectuur. Het totale aantal benodigde PVU’s wordt berekend door de PVU-waarde per core te vermenigvuldigen met het aantal actieve cores waarop de software kan draaien.
Organisaties kunnen kiezen tussen twee varianten:
- Full Capacity: alle cores op de server worden meegeteld, ongeacht of de software daar daadwerkelijk op draait.
- Sub-Capacity: alleen de cores die aan de virtuele machine zijn toegewezen, tellen mee. Dit kan aanzienlijk goedkoper zijn, maar vereist het gebruik van IBM License Metric Tool (ILMT) en strikte naleving van IBM-regels.
Wat is het verschil tussen IPLA en ILAN licenties?
Het belangrijkste verschil tussen IPLA en ILAN is het toegestane gebruik: IPLA-licenties zijn bedoeld voor productieomgevingen, terwijl ILAN-licenties uitsluitend mogen worden ingezet voor niet-productiedoeleinden zoals ontwikkeling, testen en demonstraties.
IPLA staat voor International Program License Agreement en is de standaard licentievorm voor IBM-software in productieomgevingen. Onder IPLA verwerft een organisatie het recht om de software voor commerciële doeleinden te gebruiken, inclusief alle bijbehorende ondersteuning via een actief Software Subscription and Support (S&S)-contract.
ILAN, de IBM License Agreement for Non-Production Use, biedt dezelfde softwaretitels tegen significant lagere kosten, maar met een strikte beperking: gebruik in productie is contractueel uitgesloten. Dit is een veelgemaakte fout in de praktijk. Wanneer een organisatie ILAN-gelicenseerde software toch in productie inzet, ontstaat direct een compliance-overtreding die bij een IBM-audit kostbare naheffingen kan opleveren.
Hoe bepaalt IBM de licentiekosten bij virtualisatie?
Bij virtualisatie bepaalt IBM de licentiekosten op basis van de virtuele cores die aan een workload zijn toegewezen, mits de organisatie voldoet aan de Sub-Capacity-vereisten. Voldoet een omgeving niet aan die vereisten, dan rekent IBM op basis van alle fysieke cores op de host, wat de kosten sterk kan verhogen.
IBM erkent Sub-Capacity-licenties alleen voor specifieke, door IBM goedgekeurde virtualisatieplatformen, waaronder VMware, Microsoft Hyper-V en IBM PowerVM. Cloudplatformen zoals AWS, Azure en Google Cloud vallen onder aparte regels die per productfamilie kunnen verschillen.
De kritieke voorwaarde voor Sub-Capacity is het actief inzetten en correct configureren van de IBM License Metric Tool (ILMT). ILMT monitort continu de softwaredeployments en genereert de rapporten die IBM bij een audit verwacht. Ontbreekt ILMT of zijn de rapporten niet up-to-date, dan vervalt het recht op Sub-Capacity-licenties automatisch en geldt Full Capacity als uitgangspunt.
Wat zijn de compliance-risico’s bij IBM licentiemodellen?
De grootste compliance-risico’s bij IBM-licenties zijn het onbedoeld overschrijden van het licentiegebruik door infrastructuurwijzigingen, het ontbreken van correcte ILMT-rapportages en het inzetten van ILAN-software in productieomgevingen. IBM voert regelmatig audits uit, waarbij naheffingen substantieel kunnen oplopen.
De meest voorkomende oorzaken van compliance-problemen zijn:
- Infrastructuurwijzigingen zonder licentiecheck: het toevoegen van servers, het uitbreiden van virtuele machines of het migreren naar een nieuw platform vergroot automatisch het licentiegebruik.
- Verouderde of ontbrekende ILMT-rapporten: IBM verwacht actuele, aaneengesloten rapportages. Gaten in de rapportage worden bij een audit als Full Capacity beschouwd.
- Verkeerde toepassing van Sub-Capacity: gebruik van niet-goedgekeurde virtualisatieplatformen maakt Sub-Capacity ongeldig.
- ILAN-software in productie: ook al is het onbedoeld, IBM beschouwt dit als een contractbreuk.
- Verouderde PVU-tabellen: organisaties die rekenen met verouderde PVU-waarden kunnen een onderschatting hebben van hun werkelijke licentiegebruik.
Wanneer is het zinvol om IBM licenties te heronderhandelen?
Het is zinvol om IBM-licenties te heronderhandelen bij contractverlengingen, na significante infrastructuurwijzigingen, bij een overstap naar de cloud of wanneer het daadwerkelijke gebruik structureel afwijkt van het gelicenseerde volume. Ook een aankomende IBM-audit is een strategisch moment om de licentieportefeuille te herzien.
Organisaties laten regelmatig waarde liggen omdat ze automatisch verlengen zonder de huidige marktprijzen of alternatieve licentievormen te vergelijken. IBM biedt soms aantrekkelijke migratiepaden aan naar nieuwere producten of cloudabonnementen, maar de commerciële voorwaarden van die aanbiedingen zijn zelden standaard optimaal. Onderhandelen op basis van een gedetailleerde analyse van het werkelijke gebruik levert structureel betere resultaten op dan accepteren wat IBM voorstelt.
Concrete momenten waarop heronderhandeling het meest oplevert:
- Zes tot twaalf maanden voor het aflopen van een bestaand S&S-contract
- Na een fusie, overname of reorganisatie waarbij de IT-infrastructuur verandert
- Bij een cloudmigratie waarbij on-premise IBM-software deels overbodig wordt
- Wanneer een IBM-audit is aangekondigd en er ruimte is voor een schikking
Hoe Thornstein Groep helpt met IBM licenties
IBM-licentiemodellen zijn complex, en die complexiteit werkt in het voordeel van de leverancier zolang een organisatie er onvoldoende grip op heeft. Thornstein Groep neemt die kennisongelijkheid weg. Wij bieden onafhankelijk advies op het gebied van softwarelicenties, inclusief een volledige analyse van uw huidige IBM-licentieportefeuille en de bijbehorende risico’s.
Wat wij voor uw organisatie doen:
- Inzicht in uw werkelijke licentiegebruik en vergelijking met het gelicenseerde volume
- Beoordeling van uw ILMT-configuratie en rapportages op compliance-risico’s
- Strategische voorbereiding op IBM-audits of lopende audittrajecten
- Onderhandelingsondersteuning bij contractverlengingen en nieuwe IBM-overeenkomsten
- Identificatie van besparingsmogelijkheden door herstructurering van licentiemodellen
Wilt u weten waar uw organisatie staat op het gebied van IBM-licenties? Neem contact op met Thornstein Groep voor een vrijblijvend gesprek.



